Preventie van tetanus en difterie bij volwassenen, vaccinatie en profylactische aanpak

Gevalideerd onder het nummer 2001/02

Auteur: Jozef Dillen
ICPC A44, N72, R83

pdf  Preventie van tetanus en difterie (120.91 kB)

  • De huisarts gaat de vaccinatiestatus na van de patiënten die voor 1959 zijn geboren. De huisarts bereikt deze doelgroep het gemakkelijkste.
  • De huisarts heeft ten minste een bewakende rol bij de kinderen en de schoolgaande jeugd. Hij moet nagaan of deze twee groepen in orde zijn met de basisvaccinaties 45. Bij onvolledige vaccinaties dringt de huisarts aan om het schema te vervolledigen of vervolledigt hij zelf het schema. Alle 16-jarigen moeten een booster tetanus en difterie hebben gekregen.
  • Bij een risicowonde geeft de huisarts een correcte wondverzorging en een booster van tetanus en difterie als de patiënt zijn laatste inenting tegen tetanus, bij correcte basisvaccinatie, langer dan vijf jaar geleden heeft gekregen.
    Als de laatste inenting ouder is dan twintig jaar of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, wordt de primaire vaccinatie opgestart en krijgt de patiënt immunoglobulines.
  • De huisarts geeft een herhaling om de tien jaar.
  • De huisarts vraagt vóór het toedienen van een vaccin steeds naar de vaccinatiekaart. Na het toedienen van het vaccin, schrijft hij deze act op de deze kaart. Bij de ‘inschrijving’ van een patiënt vraagt de huisarts steeds de vaccinatiekaart op.
  • De huisarts noteert de vaccinatieact op de voorziene ruimte in zijn dossier. Hij meldt daar ook, indien nodig, de bijwerkingen van het vaccin. In de vaccinatieruimte meldt hij ook de contra-indicatie.
  • De huisarts dient Tedivax pro adulto® in plaats van Tevax® toe.