Eetstoornissen in de huisartsenpraktijk

Ondanks de lage prevalentie van eetstoornissen, namelijk 3,54% in België, is deze aandoening een van de meest voorkomende psychische problemen en ziekten bij jonge vrouwen, met een hoge mortaliteit en chroniciteit. Het vroegtijdig herkennen en doorsturen voor een multidisciplinaire aanpak en zelf het aanspreekpunt blijven voor klachten is primordiaal (zie ook blz. 85).

De literatuur beschrijft deze aandoening als stoornissen in het denken en gedrag met betrekking tot eten en gewicht, en verdeelt ze in drie afzonderlijke entiteiten. Anorexia is niet zozeer een gebrek aan eetlust maar wel een te veel bezig zijn met vetinhoud van eten; boulimie zijn vreetbuien afgewisseld met braken; en de derde entiteit is ‘niet anderszins omschreven, is het minst onderzocht, vertoont gelijkenissen met de twee vorige, en omspant ongeveer 50% van alle eetstoornissen’, waaronder binge eten.

De pathogenese is onbekend. De grootste risicofactor is ‘vrouw zijn’, in de leeftijd tussen 15 en 25 jaar. De hoeksteen van de diagnose is de anamnese en het directe contact met de patiënt. Screening met een specifieke vragenlijst zoals de SCOFF-vragenlijst is nuttig bij risicofactoren, zoals vaak consulteren, aspecifieke chronische klachten en psychische klachten. Patiënten met eetstoornissen blijken ook vaker vragen te hebben in verband met diëten, gewicht en gezonde voeding. Het klinisch onderzoek is dikwijls negatief, zeker in een vroeg stadium. De differentiaaldiagnose wordt het best multidisciplinair gesteld, met aandacht voor schildklier, maligniteit, immuundeficiëntie, inflammatoire darmziekten, diabetes, andere psychische stoornissen enzovoort. Comorbiditeit, zeker psychische, is meer regel dan uitzondering.

De prognose bij boulimie is beter dan bij anorexia, de kans op herstel vermindert met de tijd bij anorexia en vermeerdert bij boulimie. Bij anorexia zullen na behandeling bijvoorbeeld 20% een chronische stoornis ontwikkelen en zeker 7% na tien jaar nog steeds aan anorexia lijden.

De behandeling is multidisciplinair voor de drie soorten eetstoornissen: met veel inzet van de huisarts, diëtist en psycholoog en of psychiater die regelmatig ook onderling communiceren. Het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de patiënt is van heel groot belang om voor een behandeling te kunnen motiveren. Er bestaat zelden de noodzaak tot medisch handelen. Het streefgewicht wordt het best op 90 procent van het ideale lichaamsgewicht aangehouden, een tijdstip waarop de meeste vrouwen terug spontaan menstrueren. Gezien de angst voor gewichtstoename, is het logisch dat deze veranderingen zeer geleidelijk worden doorgevoerd. Voor hospitalisatie wordt maar mondjesmaat gekozen, vaak als de toestand kritiek is. Toch blijft ook hier de instemming van de patiënt belangrijk naar de langetermijngenezing toe.

Sonja Berael

Vermassen A, Vanderlinden J, Pieters G. Eetstoornissen in de huisartsenpraktijk: diagnose en behandeling. Tijdschrift voor geneeskunde, 2012;68:1035-49.


SCOFF-vragenlijst 1

  • Do you make yourself Sick because you feel uncomfortably full?
  • Do you worry that you have lost Control over how much you eat?
  • Have you recently lost more than One stone (6,35 kg) in a 3-month period?
  • Do you believe yourself to be Fat when others say you are too thin?
  • Would you say that Food dominates your life?
  1. Morgan JF, Reid F, Lacey JH. The SCOFF questionnaire: a new screening tool for eating disorders. West J Med 2000;172:164-5.