Schrijftherapie: een beloftevol hulpmiddel in de huisartsenpraktijk?

Schrijftherapie, ook wel ‘expressief schrijven’, ‘creatief schrijven’ of ‘emotioneel onthullend schrijven’ genoemd, is een laagdrempelige en goedkope (psycho) therapievorm, die resultaten van gecontroleerd interventieonderzoek kan voorleggen. Omdat er lange wachtlijsten in centra voor (gesubsidieerde) geestelijke gezondheidszorg bestaan en sommige patiënten weigeren om doorverwezen te worden, gingen twee Britse huisartsen in de literatuur na of schrijftherapie geen sterkere plaats verdient in de eerstelijnszorg en meer bepaald in de huisartsenpraktijk.

De logische eerste vraag of het wel een effectieve therapievorm is, kan volgens de literatuur gematigd positief beantwoord worden. In de meest recente metaanalyse (2006) werd voor meerdere uitkomstmaten een significant gunstig effect gevonden (m.n. voor psychische gezondheid, fysiek functioneren, gezondheidsgevoel, algemeen functioneren) en een gunstig maar niet-significant verschil op het gezondheidsgedrag. De gerapporteerde effectgrootte (Cohen’s d=0,15) was niet hoog, maar wel vergelijkbaar met bijvoorbeeld het effect van statines in secundaire preventie bij cardiovasculaire incidenten.

Andere kleinere meta-analyses vonden soms grotere effectgroottes (tot d=0,66), maar weer andere vonden weinig of geen effect. Deze verschillen zou men kunnen verklaren door de uiteenlopende inclusiecriteria die in deze eerdere meta-analyses gebruikt werden.

Twee studies verdienen extra aandacht omdat ze in de eerste lijn uitgevoerd werden. Patiënten die zich in de eerste lijn aanbieden, zijn wellicht een beter doelpubliek voor schrijftherapie dan patiënten in de tweede lijn, omdat het bij deze laatste groep vaker gaat om complexere problematieken.

De eerste studie includeerde oudere patiënten (>65 jaar) en toonde dat drie sessies van twintig minuten schrijven een gunstig effect hadden op het gebruik van medische zorg, terwijl deze tot slechts een minimale reductie van hun klachten leidden. Een tweede studie werd uitgevoerd bij patiënten die vaak consulteerden en voor deze patiënten vond men wel degelijk een vermindering van de klachten en dit samen met een verminderde consultatiefrequentie. Een niet onbelangrijke bevinding uit de literatuur is vervolgens dat schrijftherapie een relatief veilige therapievorm blijkt te zijn. Er zijn nauwelijks meldingen van negatieve effecten in de verschillende studies.

De volgende vraag is dan voor welke indicaties en uitkomstmaten er momenteel evidentie bestaat dat schrijftherapie een gunstig effect heeft? Dit geldt voor de volgende aandoeningen: ziekte-ernst bij langdurend prikkelbaredarmsyndroom, bloeddruk in rust bij hypertensie, wandelsnelheid en affectieve pijn bij reumatoïde artritis, psychische klachten bij posttraumatische stress, angst- en depressiesymptomen bij maladaptieve ruminatie, fysiek functioneren en vraag naar zorg bij kankerpatiënten en ziektecontrole bij sommige astmapatiënten.

Schrijftherapie is echter geen universeel panacee: er werd bijvoorbeeld geen gunstig effect gevonden bij een groep patiënten met COPD, met spanningshoofdpijn of migraine, noch bij gedragsgerelateerde gezondheidsproblemen zoals druggebruik, alcoholisme, foute voedingsgewoonten en te weinig lichaamsbeweging.

Op basis van deze bevindingen pleiten de Britse huisartsen voor het opzetten van nieuwe grotere gecontroleerde onderzoeken in de huisartsenpraktijk. Schrijftherapie in de huisartsenpraktijk lijkt wel beloftevol, maar er is nog onvoldoende zicht op de grootte van dit mogelijke gunstige effect bij toepassing. Er is nood aan richtlijnen over de indicatiestelling (voor wie en voor welke problemen?), de manier van toepassen (hoe frequent, hoe lang, met welke vraagstelling?) en de nazorg en opvolging, al dan niet in samenwerking met eerstelijnspsychologen. Het is alleszins een te overwegen alternatief voor mensen die huisartsen moeilijk doorverwezen krijgen en/of voor problemen die geen doorgedreven psychotherapie of begeleiding vragen, maar waarmee onze patiënten wel (tijdelijk) in de knoop liggen. Daarnaast is het een therapievorm die patiënten aanzet om in de eerste plaats zichzelf vooruit te helpen zonder een te grote afhankelijkheid van hun therapeut. Dit betekent dat het patiënten ook op weg helpt om een manier van zelfhulp te ontdekken en dit is op zich een waardevolle secundaire uitkomst.

Marc Van Nuland

Mugerwa S, Holden JD. Writing therapy: a new tool for general practice? Br J Gen Pract 2012;62:661-3.