Hoe ik talent voor het leven kreeg

Galidi RA. Hoe ik talent voor het leven kreeg. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas; 2017: 472. ISBN 978-94-91921-41-4.

Nederland, 2007. Ongeveer 28 000 mensen die tot dan toe illegaal in het land verblijven, krijgen dankzij het zogeheten generaal pardon een verblijfsvergunning. Voor Rodaan Al Galidi betekent dat het einde van negen jaar wachten. Ongeveer een decennium na de toekenning van de Nederlandse identiteit schrijft hij een bestseller over zijn ervaringen, getiteld ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’. Het is een tragikomische blik achter de muren van een asielzoekerscentrum. En een oefening in geduld.

Verveling, frustratie, vluchtgedrag en uiteindelijk vervreemding: het is de resultante van het schier oneindige wachten dat asielzoekers ondergaan. Al Galidi beschrijft indringend hoe het gebrek aan perspectief deze mensen tot louter vegeteren drijft. Wie kan immers vrede nemen met een immigratieapparaat dat mensen reduceert tot nummers en persoonlijke verhalen vermaalt tot anonieme dossiers die door onzichtbare ambtenaars worden behandeld? Het bureaucratische kluwen heeft geen gezicht, de advocatuur neemt geen engagement en de medewerkers in de asielcentra verschuilen zich achter honderden afspraken. Wat een systeem had moeten zijn dat menselijke noden lenigt, blijkt een meedogenloze machine waarbinnen de vooropgestelde regels belangrijker zijn dan de geest waarin die regels zijn opgesteld. Zo wordt het asielzoekerscentrum, zelfs met haar permanent geopende deur, een symbool van onvrijheid en een kooi waarin een tijdelijk ongemak transformeert in een blijvende kwelling.

Van anekdote tot aanklacht

Eigenlijk komt de plotmatige essentie van ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’ neer op het ontbreken van een plot. Al Galidi beschrijft weliswaar hoe hij op een aantal verschillende plaatsen terechtkomt, alsook krijgt de lezer de hallucinante lijdensweg voorgeschoteld die de schrijver moest ondergaan vooraleer in Nederland neer te strijken. De voornaamste actie is en blijft evenwel: stilstand. Het boek krijgt echter kleur dankzij de warme beschrijvingen van ontmoetingen met lotgenoten. In de mallemolen van een procedure die verstoken lijkt van menselijkheid, is het een palet aan humane diversiteit waarin de auteur troost vindt. “Wij zijn als de wet van de communicerende vaten”, schrijft Al Galidi. “Heb ik het over hen, dan heb ik het over mezelf.”

Net zoals het wedervaren van zijn soortgenoten een reflectie is van wat hij als individu ervaart, zo dwingt Al Galidi de lezer tot een confrontatie met de spiegel van een falend samenlevingsmodel. Pijnlijk nauwkeurig beschrijft Al Galidi hoe asielzoekers, wanneer ze de beslotenheid van hun tijdelijke woonplaats verlaten, per definitie verdacht zijn. Hoe jonge meisjes door pooiers uit het asielcircuit worden gevist. Hoe de vrije meningsuiting aan banden wordt gelegd. Hoe de poort naar onderwijs en werk gesloten blijft. Enzovoort.

Hoewel de afzonderlijke hoofdstukken in vloeiend proza zijn opgesteld, construeert de roman geen omvattende aanklacht. Weliswaar kabbelt ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’ aardig weg omwille van het delicaat bedongen evenwicht tussen drama en humor, maar de lichte, soms haast banale stijl en de overdaad aan anekdotiek beginnen op den duur te wegen. Slechts sporadisch maakt Al Galidi bovendien abstractie van zijn kroniek, om tot een gedachte met een universele reikwijdte te komen. Ofschoon het vertoog vlot leest, mist het een esthetische behandeling van taal, een ideeëngoed dat onder de huid kruipt en een cadans waaruit literaire noodzaak spreekt.

Grenzen aan de gastvrijheid

Desondanks komt Al Galidi’s portrettering van onze omgang met nieuwkomers aan. Is er ruim een decennium later veel veranderd? Blijkbaar zijn er grenzen aan gastvrijheid. Dat diegenen die appel doen op onze solidariteit dikwijls een onvoorstelbare martelgang hebben doorstaan, wordt voor de gemoedsrust van beleidsmakers maar al te graag vergeten.

Jan-Jakob Delanoye