Robinovitch S, Feldman F, Yang Y, et al. Video capturing of the circumstances of falls in elderly people residing in long-term care: an observational study. Lancet 2013;381:47-54.


Valincidenten zijn de meest voorkomende oorzaak van niet-intentionele verwondingen bij ouderen (≥65 jaar). In de Angelsaksische landen zijn deze valpartijen in de leeftijdsgroep vanaf 65 jaar verantwoordelijk voor 90% van de heup- en polsfracturen en voor 60% van de hoofdverwondingen.

Gemiddeld vallen 65-plussers drie keer per jaar. Hoe ouder men wordt, hoe meer men valt. Onder de bewoners van een woonzorgcentrum zijn die cijfers nog hoger: ongeveer 50 tot 70% valt minstens één keer per jaar. Bij ouderen met dementie kan het percentage vallers zelfs oplopen tot 66%.1 Uit een Vlaamse studie uit 2009 blijkt dat 77,3% (n= 1270) van de 65-plussers die worden opgenomen op de spoeddienst, hier terechtkomt omwille van een valincident.2

Preventie van vallen bij ouderen is dus een prioriteit in de gezondheidszorg. Momenteel ontbreekt echter goede informatie over de valmechanismen, zoals hoe en waarom oudere personen vallen. Wat we tot nu toe over vallen weten, is vooral gebaseerd op interviews of valrapporten, dus op informatie die ná het incident verzameld werd. Deze informatie is weinig betrouwbaar; zelfs jonge mensen hebben het moeilijk om na een incident correct te beschrijven wat er gebeurd is.

Om betere preventieve maatregelen te ontwikkelen is er dus nood aan objectieve informatie over de oorzaken en omstandigheden waarin oudere personen vallen.

Deze studie van Robinovitch en collega’s wil vallen beter te begrijpen door valincidenten vast te leggen op video en deze te analyseren. Tussen april 2007 en juni 2010 werden de valincidenten in twee Canadese rusthuizen met 548 bewoners onderzocht. In deze rusthuizen worden systematisch gestructureerde rapporten gemaakt van alle valincidenten. Voor de studie werden in de gemeenschappelijke ruimtes (eetzaal, gemeenschappelijke ruimtes, hal) van deze instellingen camera’s aangebracht. Elke ‘valvideo’ werd geanalyseerd door een team van minstens drie experten op basis van een gevalideerde vragenlijst die vooral focuste op de oorzaak van een ‘onevenwicht’ en de activiteit die tot de val leidde. Voor de valincidenten geregistreerd in 2010 werd ook het medisch dossier van de personen in kwestie bekeken.

Uiteindelijk werden 227 valincidenten bij 130 personen bestudeerd. De gemiddelde leeftijd van deze groep was 78 jaar (SD=10); 52% waren vrouwen en bij 34% was de diagnose van de ziekte van Alzheimer gesteld. Van alle valincidenten in beide rusthuizen vonden er respectievelijk 45% en 34% plaats in de gemeenschappelijke ruimtes; hiervan werden er 65% en 28% op video vastgelegd.

De meest voorkomende oorzaak van vallen was ‘het verschuiven van het gewicht’ (41% van de valincidenten). Andere oorzaken waren: ‘struikelen’ (21%), ‘ergens tegenaan lopen’ (11%), ‘steun verliezen’ (11%) en ‘ineenzakken’ (11%). ‘Uitschuiven’ was maar verantwoordelijk voor 3% van de valincidenten. De drie activiteiten die het meest geassocieerd waren aan vallen, waren: voorwaarts stappen (24%), stilstaan (13%) en gaan zitten (12%).

Verder stelde men vast dat het vallen vooral midden in de namiddag gebeurd, iets wat ook in andere onderzoeken reeds werd opgemerkt. Het was ook opvallend dat slechts bij 21% van de valincidenten een externe steun gebruikt werd door de bewoners, terwijl 74% van hen dit eigenlijk nodig had.

Van de 60 combinaties van oorzaak en activiteit, waren er 17 combinaties geassocieerd met 6 of meer valincidenten. In meer dan de helft van deze combinaties was het ‘incorrect verschuiven van het lichaamsgewicht’ aanwezig. Het grootste aantal valincidenten kwam voor bij de combinatie van struikelen en voorwaarts stappen (11% van de valpartijen).

In vergelijking met thuiswonende ouderen vallen rusthuisbewoners meer tijdens staan en transfer en struikelen ze minder tijdens wandelen en het verschuiven/ verplaatsen van het evenwicht. Gemiddeld zijn er twee tot drie keer meer valincidenten in rusthuizen dan bij thuiswonende ouderen.

Beperkingen van de studie zijn o.a. het feit dat camera’s enkel in de gemeenschappelijke ruimtes geplaatst werden, waar de omgeving toch anders is dan in de eigen kamer of badkamer. De auteurs geven zelf ook aan dat de kwaliteit van de beelden niet altijd perfecte beoordelingen toeliet. Verder heeft men de relatie tussen valmechanisme en medische status niet kunnen onderzoeken omdat slechts 41 personen toestemming gaven om hun medisch dossier te gebruiken.

De gefilmde groep lijkt representatief voor de totale groep die viel: uit incidentrapporten blijkt dat gefilmde valpartijen niet verschilden van niet-gefilmde valpartijen. De interraterbetrouwbaarheid (2 teams die 15 dezelfde video’s beoordelen) en de intraraterbetrouwbaarheid (dezelfde video’s 1 jaar later opnieuw beoordelen) was hoog, Cohen’s kappa was tussen de 87 en 93%. De onderzoekers besluiten dat deze studie toch een goed beeld geeft van vallen in gemeenschappelijke ruimtes in rusthuizen.

Als conclusie geven de auteurs aan dat op basis van deze inzichten in de activiteiten die vaak voorafgaan aan een val en de oorzaken van evenwichtsverlies, een meer valide en effectieve aanpak van valpreventie in rusthuizen kan worden opgezet. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn alvast: de planning van de inrichting (circa 25% van struikelen gebeurt over karren, stoel- of tafelpoten) en aandacht voor transferactiviteiten (specifieke spierversterkende oefeningen, hulpmiddelen correct gebruiken).

Hilde Bastiaens


  1. www.vermijdvallen.be/cijfers-en-feiten
  2. Milisen K, Detroch E, Bellens K, et al. Valincidenten bij thuiswonende ouderen: een pilootstudie naar prevalentie, omstandigheden en gevolgen in Vlaanderen. Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie 2004;35:15-20.