Actieve opsporing van chlamydia trachomatis in de huisartsenpraktijk

Auteurs
Veronique Verhoeven, Dirk Avonts, Lieve Peremans, Margaretha Ieven, Samuel Coenen
Publicatie datum
Opvolging datum
Status
In herziening

Downloads & implementatiemateriaal

Steekkaart Chlamydia trachomatis
Opvolgrapport Chlamydia Trachomatis 2006
Opvolgrapport Chlamydia Trachomatis 2009
Opvolgrapport Chlamydia Trachomatis 2010
Opvolgrapport Chlamydia Trachomatis 2011
Opvolgrapport Chlamydia Trachomatis 2013

Samenvatting van de richtlijn

Incidentie/prevalentie

 

De prevalentie van chlamydia bij vrouwen in de reproductieve leeftijd wordt in Europa geschat op 3 à 6 %. In een recent onderzoek in de huisartsenpraktijksetting in Antwerpen bedroeg de prevalentie 5 % bij vrouwen, met of zonder klachten, jonger dan 40 jaar. Uit gegevens van de SOA-registratie in Nederland blijkt dat in 2001 40 % meer chlamydia-diagnosen werden gesteld dan in het jaar daarvoor. Ook bij het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (WIV) in België is er een stijging van het aantal gerapporteerde infecties. Dit is zeker geen alleenstaand gegeven: verschillende recente Europese rapporten tonen aan dat er de laatste jaren opnieuw een stijging is van SOA en seksueel risicogedrag.

 

Risicofactoren- en groepen

 

Over het algemeen kan met stellen dat risicogedrag de meest constante voorspeller is van chlamydia-infectie.

 

De invloed van socio-demografische factoren zoals leeftijd, burgerlijke staat of opleidingsniveau, is daarentegen afhankelijk van de setting en onderhevig aan maatschappelijke veranderingen. Gezien de gemiddelde infectieduur (twaalf tot vijftien maanden) is vooral het risicogedrag van het laatste jaar van belang.

 

De intra-uteriene manipulaties die gepaard gaan met een zwangerschapsonderbreking of het plaatsen van een spiraaltje, kunnen een opstijgende chlamydia-infectie in de hand werken. Screenen of zelfs profylactisch behandelen is daarom aangewezen vóór het uitvoeren van een abortus (niveau van bewijskracht 1). Er is onvoldoende evidentie voor het systematisch screenen van alle spiraalgebruiksters. Nochtans is voor het plaatsen van een spiraal een grondige evaluatie van het SOA risico wenselijk.

 

Screening

 

Hoe screenen?

Screening gebeurt aan de hand van een DNA-amplificatietechniek (niveau van bewijskracht 1) op basis van een eerstestraalsurine of een vaginale wisser.

 

Een positief resultaat wordt geconfirmeerd door een andere amplificatietechniek, tenzij de anamnese suggestief is.

 

Aan wie screening aanbieden?

Opportunistische screening kan, bij consensus, worden aangeboden aan:

 

  • vrouwen jonger dan 35 jaar met meer dan één partner het laatste jaar of met recent (minder dan 6 maanden) een nieuwe partner;
  • vrouwen bij wie een zwangerschapsonderbreking wordt gepland.

 

Zorgt screening voor een goede preventie van complicaties?

Opportunistische screening van vrouwen op CT doet het aantal complicaties dalen (niveau van bewijskracht 2).

 

Diagnose

 

Bij welke groep is actieve opsporing voor chlamydia aan te raden?

Actieve opsporing voor chlamydia is aan te raden bij:

 

  • vrouwen met één of meer van de volgende risicofactoren: klachten van postcoïtaal of intermenstrueel bloedverlies, dysurie die niet verdwijnt na een klassieke cystitisbehandeling, partner met dysurieklachten;
  • mannen met dysurie of urethritisklachten.

 

Behandeling

 

Medicamenteus

Uit wat bestaat de medicamenteuze behandeling van CT-infecties

  • Een ongecompliceerde infectie bij een niet-zwangere vrouw wordt behandeld met 1 g azithromycine unidosistherapie of met 2 x 100 mg doxycycline per dag gedurende zeven dagen (niveau van bewijskracht 1).
  • De partner(s) van een geïnfecteerde patiënt moet(en) mee behandeld worden

 

 

Bron Samenvatting: EB Practice Net