Zwangerschapsbegeleiding

Auteurs
Nicole Dekker, Régine Goemaes, Jasna Neirinckx, Lieve Seuntjens, Karen Smets met medewerking van Martine Goossens, Elissah Hendrickx, Ineke Meul, Sanne Vandenbosch en Esther Van Leeuwen
Publicatie datum
Status
Actueel

Downloads & implementatiemateriaal

Steekkaart Zwangerschapsbegeleiding
Consultondersteunende folder prenatale screening
Patiëntenfolder Zwangerschapsbegeleiding

Samenvatting van de richtlijn

Risicogroepen en-factoren

 

Niet-limitatieve lijst van risicofactoren die mogelijk bijkomende zorg of maatregelen vergen

  • Algemene risicofactoren
    • Leeftijd: <16 of >40 jaar; gewicht: BMI (GIL 2 ) <18 of >35; suboptimale socio-economische omstandigheden; risicogedrag: roken, alcohol- en druggebruik; geneesmiddelengebruik; soa; risico’s op het werk; andere persoonlijke, familiale en genetische risicofactoren
  • Anamnese en klinisch onderzoek
    • Medische risicofactoren Hart- en vaatziekten, hypertensie, trombose, longembool, nierziekten, metabole aandoeningen, stollings-stoornissen, neurologische aandoeningen, longziekten, hematologische aandoeningen, auto-immuun-ziekten, maligniteiten, ernstige infecties, psychiatrische aandoeningen en elke andere vooraf bestaande pathologie die van belang kan zijn tijdens de zwangerschap
    • Gynaecologische risicofactoren Baarmoederpathologie (anatomische afwijkingen, chirurgische ingrepen, afwijkende cytologie,...), bekken-afwijkingen, bekkenbodemafwijkingen of voorafgaande chirurgie, aanwezigheid van IUD, voorgeschiedenis van besnijdenis
    • Obstetrische risicofactoren Belaste obstetrische voorgeschiedenis, rhesus-iso-immunisatie en bloedgroepantagonisme, herhaald miskraam, cervixinsufficiëntie of cerclage, pre-eclampsie (HELLP), prenatale bloedingen, vroeggeboorte, groeiafwijkingen, keizersnede, grande multipariteit, ernstige perinatale morbiditeit en sterfte, moeilijke bevalling, postpartumpsychose of -depressie
  • Risicofactoren ontwikkeld tijdens huidige zwangerschap
    • Algemene risicofactoren Late prenatale zorg, psychiatrische stoornis, afstandskind
    • Medische risicofactoren Hyperernesis gravidarurn, zwangerschapsdiabetes, zwangerschapshypertensie, stollingsstoornis, trombo-embolie, maligniteiten en infectieuze aandoeningen
    • Obstetrische risicofactoren Amniocentesis en vlokkentest, meerlingzwangerschap, mors in utero, dreigende vroeggeboorte, cervix-insufficiëntie, bloedingen, abruptio placentae, vruchtwaterverlies, negatieve of positieve discongruentie, symfysiolyse, obstetrisch relevante uterus myornatosus, rhesus-iso-immunisatie en bloedgroep-antagonisme, abnormale cervixcytologie (HSIL), serotiniteit

Welke risicofactoren bevragen tijdens het eerste zwangerschapsconsult?

Bevraag  risicofactoren in verband met het ontwikkelen van zwangerschapshypertensie en preeclampsie: (Grade 1B) ∙ leeftijd van 40 jaar of ouder, ∙ nullipariteit, ∙ zwangerschapsinterval van méér dan tien jaar, ∙ familiale voorgeschiedenis van preeclampsie, ∙ voorgeschiedenis van preeclampsie, ∙ BMI van 30 kg/m² of meer, ∙ voorafbestaande hypertensie, ∙ voorafbestaande nierziekte, ∙ meerlingzwangerschap. ∙

Bevraag risicofactoren die samengaan met een verhoogde kans op zwangerschapsdiabetes: (GPP) ∙ obesitas, ∙ gevorderde maternale leeftijd, ∙ familiale voorgeschiedenis van diabetes, ∙ voorgeschiedenis van zwangerschapsdiabetes, ∙ kind met geboortegewicht >4500 g, ∙ origine uit etnische minderheden, ∙ sterke gewichtstoename tijdens jonge volwassenheid, ∙ roken.

Risicofactoren ter detectie van vroeggeboorte moeten niet systematisch bevraagd worden. (Grade 2C)∙

Wees alert voor een groter risico op complicaties bij een leeftijd van de zwangere onder 20 of boven 40 jaar. (Grade 1C) ∙

 Identificeer zwangere vrouwen die genitale mutilatie hebben ondergaan zo vroeg mogelijk in de prenatale zorg door dit voorzichtig na te vragen. Prenataal onderzoek zal het mogelijk maken de intrapartale zorg te plannen. (GPP)

Bevraag: ∙ (relevante) medische, gynaecologische, obstetrische en psychiatrische voorgeschiedenis; (GPP) ∙ immuniteit voor toxoplasmose, rubella en varicella; (GPP) ∙ voorkomen van congenitale aandoeningen in de familie (tot 3e graad). (GPP) ∙ Wees bedacht op bepaalde genetische aandoeningen die ook etnisch bepaald zijn. (GPP)

Welke risico’s omtrent de levensstijl bevragen en wat is het advies?

Bevraag : ∙ het soort werk om een potentieel verhoogd risico (op complicaties) ten gevolge van werkgerelateerde blootstelling te identificeren; (Grade 1C) ∙ rookstatus; (GPP) ∙ gebruik van alcohol; (GPP) ∙ gebruik van medicatie. (GPP) ∙

 

Diagnose

 

Hoe wordt de duur van een zwangerschap berekend?

  • Tests ∙ Een hCG-bepaling in urine is een snelle en voldoende betrouwbare methode om een zwangerschap vast te stellen. (Grade 2C)

Welke labotesten worden aanbevolen voor diagnose?

Overweeg (serum) hCG enkel bij twijfelachtig of onverwacht negatief urine hCG-resultaat. (Grade 2C)

Bepaal (serum) hCG om een vroege zwangerschap op te sporen en vroege zwangerschapscomplicaties te identificeren (zoals: spontane abortus, Extra-Uteriene Graviditeit (EUG),...). (Grade 1B)

  • Economische/ethische aspecten Vaak wordt een positieve urinetest gevolgd door een serum hCG-bepaling, voornamelijk vanuit het perspectief van de patiënte en haar verwachting om een positieve thuistest bevestigd te zien door een hCG-bepaling in serum. Dit brengt een onnodige economische meerkost met zich mee. Wanneer men geen gebruik kan maken van een POC urine hCGbepalingsmethode of wanneer dit door de patiënt te duur wordt geacht, kan men overwegen om serum hCG te bepalen. Deze bepaling is, samen met de andere testen in het eerste consult, echter meestal niet nuttig en zal een hogere kost meebrengen voor de patiënt

 

Behandeling

 

Welk praktische adviezen geven in verband met extra vitaminen/mineralen?

  • Beveel de inname van 400 µg foliumzuur per dag aan vanaf de zwangerschapswens tot op het einde van de 12e week van de zwangerschap. (Grade 1A) ∙
  • Ontraad routinematig gebruik van ijzerpreparaten. (Grade 1A) ∙
  • Overweeg vitamine D-toediening bij zwangere vrouwen uit de risicogroepen. (Grade 2B)

 

Welke vaccinaties zijn aanbevolen tijdens de zwangerschap?

  • Raad influenzavaccinatie aan vanaf het tweede trimester van de zwangerschap. (Grade 1B) ∙
  • Raad pertussisvaccinatie aan tussen 24 en 32 weken zwangerschap. (Grade 1C)

 

Welke andere praktische adviezen zijn zinvol?

  • Geef volgende adviezen in verband met rookstop: ∙
    • benadruk de risico’s van roken voor het ongeboren kind en de mogelijke gevolgen van passief roken; (Grade 1A)
    • benadruk de voordelen van stoppen en verminderen in eender welk stadium van de zwangerschap; (Grade 1A) ∙
    • blijf de rookstatus tijdens de gehele zwangerschap en zelfs erna bevragen en blijf advies en ondersteuning geven. (GPP) ∙
  • Geef volgende adviezen in verband met alcohol: ∙ ontraad alcohol gedurende de hele zwangerschap. (Grade 2C) ∙
  • Geef volgende adviezen in verband met cannabisgebruik: ∙ adviseer vrouwen geen cannabis te gebruiken tijdens de zwangerschap. (Grade 1B)
  • Verwijs beroepsactieve zwangere vrouwen uit risicopopulaties door naar de dienst voor preventie en bescherming op het werk. (Grade 1C)
  • Informeer zwangere vrouwen over het correct dragen van gordels (i.e. een driepuntsgordel boven en onder de buik, niet overheen). (Grade 1C)
  • Raad zwangere vrouwen met risico voor pre-eclampsie aan om contact op te nemen bij hoofdpijn, visusstoornissen zoals lichtflikkeringen en flashes, erge pijn onder de ribben, overgeven en/of opzwellen van handen, gezicht en voeten. (GPP)
  • Routinematig tellen van kindsbewegingen wordt niet aangeraden. (Grade 1A) ∙
  • Informeer de zwangere (vanaf 28 weken) om bij verminderde (ten aanzien van het eigen beweegpatroon van de baby) of ophouden van de kindsbewegingen op controle te komen. (GPP)
  • Er bestaan geen goede diagnostische screeningsmethodes om vroegtijdige geboorte te voorspellen. (Grade 1B)
  • Geef desgewenst tijdens de zwangerschap borstvoedingseducatie. (Grade 2B)

 

Welk adviezen geven bij misselijkheid en braken?

  • Informeer de zwangere dat misselijkheid en braken meestal spontaan verminderen binnen 16 tot 20 weken zwangerschap en dat deze niet geassocieerd zijn met een slechtere zwangerschapsuitkomst. (Grade 1C) ∙ Voorzie de patiënte van (extra) informatie over alle vormen van zelfhulp en niet-medicamenteuze behandelingen met betrekking tot misselijkheid en braken. (Grade 1C) ∙ Indien de zwangere toch opteert voor medicatie, kunnen H1-antihistaminica veilig worden gebruikt tijdens de zwangerschap. (Grade 1A)

 

Wat te doen bij pyrosis?

  • Controleer de bloeddruk en de urine op proteïnurie om pyrosis te onderscheiden van epigastrische pijn bij pre-eclampsie. (GPP) ∙
  • Informeer de zwangere met pyrosis over algemene adviezen betreffende levensstijl en dieet. (GPP) ∙
  • Opteer bij onvoldoende effect van de algemene adviezen voor medicamenteuze symptomatische behandeling met: ∙ antacida, (Grade 1A) ∙ ranitidine, (Grade 1B) ∙ protonpompinhibitor. (Grade 1B)

 

Welke adviezen geven bij obstipatie?

  • Geef de zwangere met obstipatie informatie over een aangepast dieet. (Grade 1A)

 

Wat te doen bij hemorroïden?

  • Geef dieetadvies bij zwangeren die last hebben van hemorroïden. (GPP) ∙ Schrijf zo nodig een aambeiencrème voor als de klachten te hinderlijk blijven. (GPP)

 

Welke adviezen geven bij kuitkrampen?

  • Spierkrampen Adviseer de zwangere regelmatig stretchoefeningen te doen. Indien de krampen te hinderlijk blijven, kan een proeftherapie met magnesium gegeven worden. (GPP)

 

Welke aanpak adviseren bij varices?

  • Adviseer de zwangere dat varices vaak voorkomen tijdens de zwangerschap, geen problemen geven en dat steunkousen de klachten doen verminderen. (Grade 1A)

Welke adviezen geven bij rugpijn?

  • Adviseer de zwangere te zwemmen, massage toe te passen of rugschool te volgen (individueel of in groep). (Grade 1B)

Wat te doen bij het carpaletunnelsyndroom?

  • Raad een conservatief beleid aan bij het carpaletunnelsyndroom tijdens de zwangerschap.

 

 

Praktijkvoering

 

Hoe ervaart de vrouw haar zwangerschap?

  • Peil naar de emoties rond de zwangerschap. (GPP) ∙
  • Stel bij het eerste contact 2 vragen om een mogelijke depressie te identificeren. (GPP) ∙ Na het identificeren van een mogelijke depressie moet verdere oppuntstelling overwogen worden. (Grade 1C) ∙
  • Wees alert op symptomen of tekens van huiselijk geweld. (Grade 1C)

Welke praktische adviezen geven in verband met voeding?

  • Overweeg het ontraden van bepaalde voedingsmiddelen. (Grade 2C) ∙
  • Overweeg bepaalde voorzorgsmaatregelen die voedselafhankelijke infecties kunnen voorkomen. (Grade 1C)

 

Welke praktische adviezen geven rond de preventie van infecties?

  • Raad hygiënische maatregelen aan in gezinnen met jonge kinderen. (Grade 2B)

 

Wat zijn de risico’s tijdens reizen met vliegtuig/auto?

  • Adviseer zwangere vrouwen dat langeafstandsvluchten gepaard gaan met een verhoogd risico op veneuze trombose. (Grade 1C) ∙ Informeer de zwangere vrouw dat het dragen van goed passende compressiekousen voldoende effectief is om het risico te verminderen. (Grade 1C)

 

Welk advies bij (risicovolle) sporten?

  • Geef zwangere vrouwen het advies dat het starten van of het voortzetten van matige fysieke activiteit tijdens de zwangerschap niet geassocieerd is met negatieve gevolgen, maar dat risicovolle activiteiten tijdens de zwangerschap mogelijke gevaren met zich meebrengen.

 

Wat zijn de risico’s van saunagebruik?

  • Ontraad saunabezoek tijdens de zwangerschap. (Grade 2C)

 

Wat zijn de risico’s tijdens seks?

  • Informeer zwangere vrouwen dat er geen risico’s gekend zijn, geassocieerd met seksueel contact tijdens de zwangerschap. (Grade 1C)

 

Wat is bekkeninstabiliteit en wat te adviseren?

  • Adviseer de zwangere specifieke oefeningen via een kinesist of fysiotherapeute die gespecialiseerd is in bekkeninstabiliteit. (Grade 1B)

 

Hoe gebeurt een prenatale screening?

  • Geef de zwangere vrouw (en haar partner) informatie over de mogelijkheid om structurele afwijkingen bij de foetus op te sporen. (GPP)

 

Welke aandoeningen opsporen?

  • Bespreek de mogelijkheid voor prenatale screening op trisomie 13, 18 en 21 (downsyndroom) op het einde van het eerste trimester. (GPP)

 

Welke onderzoeken zijn nodig voor prenatale screening?

  • Informeer de zwangere over de niet-invasieve prenatale test (NIPT)

 

Hoe de resultaten uitleggen aan de zwangere?

  • Bespreek dat het resultaat van de prenatale screening in het eerste trimester een kansberekening betreft en het risico op de aanwezigheid van trisomie waaronder het downsyndroom uitdrukt. (GPP) ∙
  • Bespreek dat bij een combinatietest de screening positief is bij een kans gelijk of groter dan 1 op 250. (GPP) ∙
  • Toets of het resultaat begrepen wordt. (GPP) ∙
  • Verwijs bij positieve screening zo snel mogelijk door naar de tweede lijn. (GPP)

 

Welk klinische onderzoeken tijdens het eerste consult?

  • Bepaal de Body Mass Index (BMI) tijdens het eerste consult om risicozwangerschappen te identificeren. (Grade 1B) ∙
  • Meet de bloeddruk tijdens het eerste consult. (Grade 1B) ∙
  • Het routinematig uitvoeren van een vaginaal onderzoek tijdens de zwangerschap wordt niet aangeraden. (Grade 1A)

 

Hoe worden de bloedgroep en antistoffen bepaald tijdens de zwangerschap?

  • Bepaal bij de eerste bloedafname de bloedgroep en de resusfactor indien die bij aanvang van de zwangerschap niet gekend zijn.
  • Bepaal altijd de irreguliere antistoffen (indirecte coombs). (Grade 1B) Wanneer een negatief resultaat werd bekomen, bepaal rond 28 weken opnieuw de irreguliere antistoffen (onafhankelijk van hun resusstatus). (Grade 2C) ∙ V
  • verwijs in geval van aanwezigheid van irreguliere antistoffen naar een gespecialiseerd centrum voor verder onderzoek en advies betreffende verdere opvolging van de zwangerschap.

 

Hoe wordt gescreend naar anemie en wat is het beleid?

  • Screen naar anemie door een Hb-bepaling in het eerste trimester bij de eerste bloedafname. (Grade 1B) ∙ Overweeg om ferritine, MCV, MCH en MCHC mee te bepalen (GPP) ∙ Herhaal deze Hb-bepaling bij de tweede bloedafname. (Grade 1B) ∙ Bepaal ferritine bij een Hb-waarde < 11mg/dl

 

Is screening naar hemoglobinopathieën aanbevolen?

  • Screening naar hemoglobinopathieën is enkel aan te bevelen bij etnische groepen met een hoge prevalentie hiervoor. (GPP)

 

Screenen naar voorafbestaande diabetes?

  • Overweeg screening op voorafbestaande diabetes bij aanwezigheid van risicofactoren door middel van een nuchtere glycemiebepaling bij aanvang van de zwangerschap.

 

Welke infecties opsporen bij aanvang van de zwangerschap?

  • Screen naar asymptomatische bacteriurie en gebruik hiervoor cultuur op midstroomurine. (Grade 1B) ∙ Behandel asymptomatische bacteriurie volgens de resultaten van de cultuur. (Grade 1B)
  • Screen naar hepatitis B-virus (HBV) met behulp van HbsAg in serum, indien de immuunstatus niet gekend of negatief is. (Grade 1A)
  • Screen naar hiv door bepaling van hiv-antilichamen in serum. (Grade 1A) ∙
  • Screen naar syfilis door bepaling van TPHA in serum. (Grade 1B) ∙
  • Screen niet routinematig naar chlamydia. (Grade 1C)
  • Screen naar rubella-immuniteit door IgG-bepaling. (Grade 1B) ∙
  • Routinematige screening naar toxoplasmose wordt niet aangeraden. (Grade 1B) ∙ Indien de immuunstatus voor toxoplasmose en rubella (IgG) gekend en positief zijn, dient deze test niet herhaald te worden bij de eerste bloedafname. (GPP) ∙ Screen naar toxoplasmose door IgG- en IgM-bepaling indien de immuunstatus nog niet gekend is. (GPP) ∙
  • Screen niet routinematig naar het cytomegalovirus (CMV) (Grade 1B) en hepatitis C. (Grade 1C)

 

Wat moet de zwangere doen die in contact komt met varicella?

  • Overweeg bij een niet-gekende of negatieve immuniteitsstatus een serumantistofbepaling. (Grade 2C) ∙
  • Overweeg eventueel verwijzing voor toediening van immunoglobulinen binnen de 96 uur na blootstelling indien de serumtesten negatief of ongekend zijn. (Grade 2C)

 

Hoe screenen naar zwangerschapsdiabetes en wat te doen bij een positief resultaat?

  • Screen iedere zwangere (zonder vooraf bekende diabetes mellitus) door een glucosechallengetest met 50 g glucose op 24 weken bij elke zwangere die een normale glucosewaarde had bij aanvang van de zwangerschap. De test is afwijkend bij een glucosewaarde van 140 mg/dl of meer. (GPP) ∙
  • Spoor geen glucose in de urine op tijdens de zwangerschap. (Grade 1B) ∙
  • Confirmeer na een afwijkende challengetest de diagnose van zwangerschapsdiabetes met behulp van een diagnostische test: 3 uur 100 g of 2 uur 75 g OGTT. (GPP)
  • Overweeg om deze test te vervroegen bij zwangeren die tijdens een vorige zwangerschap diabetes hebben gehad of die bij de eerste bloedname een gestoorde nuchtere glycemie (≥ 100 mg/dl) maar <126mg/dl

Hoe hypertensie en pre-eclampsie opsporen?

  • Meet de bloeddruk bij elk prenataal consult. (Grade 1C)

 

Wat is het belang van het opsporen van de proteïnurie en hoe frequent gebeurt dit?

  • Bepaal bij elke prenatale controle proteïnurie om tijdig pre-eclampsie op te sporen, met specifieke aandacht voor de zwangeren uit de risicogroepen. (Grade 2C) Toon de aanwezigheid van proteïnurie via een direct afleesbare dipstickmethode. (Grade 1C) ∙ Bepaal na twee opeenvolgende resultaten van 2+ op dipstick met een interval van minstens 4 uur, proteïnurie via 24-uurs urinecollectie. (Grade 1C)

Hoe de foetale groei en ontwikkeling volgen?

  • Meet vanaf 24 weken de fundushoogte op elke consultatie. (Grade 2C)
  • Overweeg vanaf 36 weken de foetale ligging te bepalen door middel van de handgrepen van Leopold. (Grade 2C)
  • Spoor zo gewenst bij elk abdominaal onderzoek (vanaf 12 weken) de aanwezigheid van harttonen op via een dopplertoestel. (GPP)

 

Welke vaginale infecties actief screenen in de loop van de zwangerschap?

  • Screen naar Groep B streptokokken (GBS) door middel van een vaginale en anorectale wisser tussen zwangerschapsweek 35 en 37.
  • Routinematige screening naar aspecifieke vaginale infecties of bacteriële vaginose is niet aangewezen. (Grade 1A)

 

Wat te doen bij een herpesinfectie?

  • Een keizersnede wordt niet routinematig aangeraden bij vrouwen met een voorgeschiedenis van herpes simplex. (Grade 1B)
  • Vrouwen met een voorgeschiedenis van genitale herpes moeten worden ingelicht worden over de zeer kleine kans op neonatale herpes, wanneer ze herpeslaesies hebben tijdens de geboorte. (Grade 1B)
  • Bij een primaire infectie met het herpes simplex-virus (HSV) rond het tijdstip van de bevalling, of vanaf 6 weken voor de berekende bevallingsdatum, wordt een keizersnede aangeraden; dagelijkse suppressieve therapie met aciclovir vanaf de 36e zwangerschapsweek wordt niet aangeraden. (Grade 1B) ∙
  • Vrouwen met een recidiverende genitale herpes kunnen overwegen om vanaf week 36 tot de bevalling dagelijks suppressief aciclovir 400 mg 3 x per dag of valaciclovir 500 mg 2 x per dag te nemen. (Grade 2C) ∙ Routinematige profylaxe wordt niet aangeraden. (Grade 1A)

 

Welk beleid volgen bij bepaalde vaginale infecties in de loop van de zwangerschap?

  • Overweeg bij een symptomatische candida-infectie een behandeling van één week met een lokaal imidazoolpreparaat. (Grade 2A)
  • Overweeg metronidazole in een eenmalige dosis bij een symptomatische trichomonasinfectie na het eerste trimester. (Grade 2B)
  • Overweeg zo nodig een behandeling van symptomatische bacteriële vaginose met metronidazole per os 250 mg 3 x/dag gedurende 7 dagen. (Grade 2B)
  • Geef bij een symptomatische chlamydia-infectie tijdens de zwangerschap gedurende 7 dagen amoxicilline 3 x 500 mg/d. (Grade 1A)
  • Routinematig aanbieden van keizersnede wordt niet aangeraden bij genitale condylomata. (GPP)

 

Welk beleid voeren bij vaginaal bloedverlies?

  • Bij een stabiele patiënte met vaginaal bloedverlies zonder EUG en met aanwezige foetale harttonen voor 20 weken zwangerschap wordt een afwachtend beleid aangeraden.
  • Informeer de patiënte over de kansen op miskraam/intacte zwangerschap.
  • Bespreek de mogelijkheid tot echografie. (GPP) ∙
  • Indien de patiënte een afwachtend beleid verkiest of wanneer echografie nog niet nuttig is, overweeg seriële opvolging van serumbepaling van beta-hCG. (Grade 1C)

 

Met welk beleid vroegtijdige geboorte detecteren?

  • Vermoed (vanaf 18 tot 20 weken) vroegtijdige geboorte bij: (GPP) ∙
    • pijn in de onderbuik en/of lage rug al dan niet met krampen en/of druk naar onder in het bekken, ∙
    • toename van vaginaal verlies, ∙
    • bloeding, ∙
    • verlies van vruchtwater. ∙

Verwijs de patiënte bij deze symptomen naar een gynaecoloog

  • Overweeg echografische meting van de cervix bij zwangeren met klachten die kunnen passen bij vroegtijdige geboorte. (Grade 2C) ∙ Beveel het onderzoek niet aan voor screening in een laagrisicopopulatie. (Grade 1A)

 

Doorverwijzing

 

  • Verwijs de zwangere voor een echografie tussen 11 en 14 weken voor nekplooimeting. Bepaal op dat moment vrij bèta hCG en PAPP-A in het serum. (Grade 1B)
  • Verwijs zwangeren met een positieve screening zo snel mogelijk door voor invasieve diagnostiek. (Grade 2C) ∙ Leg uit dat deze procedures gepaard gaan met een extra risico op een miskraam. (Grade 1C )
  • Verwijs naar de endocrinoloog bij afwijkende OGTT.
  • Verwijs voor medicamenteuze behandeling bij twee opeenvolgende metingen >160 mmHg met een interval van minstens 4 uur. (Grade 1B) ∙
  • Verwijs de patiënte wanneer er sprake is van significante proteïnurie. (GPP) ∙
  • Verwijs onmiddellijk bij patiënten met bloeddrukken >160 mmHg/110 mmHg én proteïnurie en/of alarmsymptomen. (GPP)
  • cardiotocografies is niet nodig ter opvolging van het foetale welzijn in een normaal verlopende zwangerschap. (Grade 1A)
  • Bied elke zwangere een echografie aan vóór 24 weken om de foetus na te kijken op structurele afwijkingen. (Grade 1A) ∙ Bied de zwangere vrouw een echo aan in het derde trimester (rond 30 weken) om een laag geboortegewicht op te sporen. (Grade 1C)
  • Stuur door bij spoedeisende situaties (Extra-Uteriene Graviditeit (EUG) en instabiele patiënte) en bij vaginale bloeding vanaf 20 weken. (Grade 1C)
  • Verwijs in geval van aanwezigheid van irreguliere antistoffen naar een gespecialiseerd centrum voor verder onderzoek en advies betreffende verdere opvolging van de zwangerschap.
  • Overweeg eventueel verwijzing voor toediening van immunoglobulinen binnen de 96 uur na blootstelling aan varicella indien de serumtesten negatief of ongekend zijn. (Grade 2C)

 

Bron Samenvatting: EB Practice Net