• Burns D. Live fast, die young, leave a good-looking corpse. Arch Intern Med 2008;168:1946-7.
• Rigotti N, Munafo M, Lindsay F. Smoking cessation interventions for hospitalised smokers. A systematic review. Arch Intern Med 2008;168:1950-60.
• Dawood N, Vaccarino V, Reid K, et al. Predictors of smoking cessation after a myocardial infarction. Arch Intern Med 2008;168:1961-7.
• Strandberg A, Strandberg T, Pitkala K, et al. The effect of smoking in midlife on health-related quality of life in old age. Arch Intern Med 2008;168:1968-74.


In het oktobernummer van de Archives of Internal Medicine verschenen vier artikels over rookstop. Roken is in de Verenigde Staten de grootste vermijdbare doodsoorzaak en ziekte, maar de preventie ervan blijft moeilijk.

Een eerste, prospectieve cohortstudie in Helsinki met een follow-up van 26 jaar bij ongeveer 1 650 mannen met een gelijkaardig sociaaleconomisch profiel toonde aan dat de deelnemers die nooit gerookt hadden, ongeveer tien jaar langer leefden dan zware rokers. Ook de fysieke mogelijkheden toonden een omgekeerde relatie aan tussen het aantal sigaretten en de fysieke toestand. Niet-rokers leven niet alleen langer, maar ook hun levenskwaliteit is veel beter.

Een volgend artikel gaat over een bevolkingsonderzoek in 2000 waarbij een vragenlijst naar 1 286 mensen werd opgestuurd. In de vragenlijst zat de ‘Rand 36-item Health Survey’ vervat. Deze vragenlijst werd voor de Finse populatie gevalideerd en bevat acht domeinen (van fysieke problemen tot vermoeidheid en pijn). Via cross-sectioneel onderzoek werd aangetoond dat slechts 78 van de 1 131 overblijvende deelnemers van het onderzoek zware rokers waren (tussen 1974 en 2000 zijn veel rokers overleden). Deze 78 mannen behoorden tot een cohorte van langdurige rokers en toonden zwakkere scores op alle schalen. Het verslechteren van de toestand op mentaal en sociaal vlak werd in deze studie statistisch significant aangetoond. Rookstop blijft dus hoe dan ook aanbevolen.

Rookstopprogramma’s na een hartinfarct worden echter nog te weinig uitgevoerd in de klinische praktijk. Dit werd aangetoond door de ‘American Heart Association’ en het ‘American College of Cardiology’ bij 834 patiënten die opgenomen waren voor een hartinfarct. Bij mensen met een depressie was er minder kans dat ze stopten met roken. Ook het vroegere gebruik van cocaïne bleek een negatieve voorspeller.

In de Verenigde Staten heeft men bij rookstopprogramma’s bij gehospitaliseerde patiënten (ook voor andere pathologieën dan cardiovasculaire aandoeningen) gezien dat het heel belangrijk is dat er een maand na ontslag uit het ziekenhuis nog een contact met de patiënt voorzien wordt.

Ten slotte kan nicotinevervangende therapie een belangrijk hulpmiddel zijn samen met rookstopadvies, vooral bij mensen die ontwenningsverschijnselen vertonen ten gevolge van rookstop.

L. De Deken